Fietsen in de bergen: de Pyreneeen van kust tot kust, de Cevennen en de Mont Ventoux
>> Homepage    >> Mijn fietsreizen    >> Overzicht beklommen cols    >> Hoogteprofielen Midden-Nederland    >> Links

Pyreneeën van kust tot kust.

(Klik op de foto's voor een vergroting!)
Reageren? Stuur me een E-mail!

Van 19 juli tot 23 augustus heb ik fietsten we 4 weken door Zuid-Frankrijk. De voortreffelijke fietsbus-service van Cycletours zette ons af in Hendaye. Vervolgens zijn we, zoveel mogelijk de hoogste Pyreneeëntoppen volgend, naar de Middellandse Zee gefietst. Daar aangekomen zijn we linksaf geslagen om enkele dagen later in de Cevennen te arriveren. Na de gorges van de Tarn en de Ardèche kwam als ideaal toetje van de vakantie de Mont Ventoux in zicht. Een dag na de beklimming van deze berg vertrokken we weer per Cycletours bus vanuit Nîmes richting Nederland. Tijdens de tocht hebben we een groot aantal cols beklommen. Totaal hebben we iets meer dan 2100 kilometers gefietst. Enkele keren lieten we de fiets staan om een mooie wandeling te maken of een topje te beklimmen. kaartje Pyreneeën


Cols

Van de in de tekst cursief gedrukte beklimmingen zijn in het col-overzicht wat statistieken over de lengte, de hoogte en de moeilijkheidsgraad opgenomen.

Hoogtepunten

Klikken op een van de hoogtepunten brengt je meteen naar het betreffende deel in het reisverslag hieronder.
Dag 1: Hendaye - Hendaye
Dag 2: Hendaye - Hendaye
Dag 3: Hendaye - Erratzu
Dag 4: Erratzu - Larra
Dag 5: Larrau - Escots
Dag 6: Escots - Argelès Gazost
Dag 7: Argelès Gazost - Gavarnie
Dag 8: Gavarnie - Gavarnie
Dag 9: Gavarnie - Gavarnie
Dag 10: Gavarnie - Arreau
Dag 11: Arreau - Bagnères-de-Luchon
Dag 12: Bagnères-de-Luchon - Castillon
Dag 13: Castillon - Aulus-les-Bains
Dag 14: Aulus-les-Bains - Luzenac
Dag 15: Luzenac - Axat
Dag 16: Axat
Dag 17: Axat - Prades
Dag 18: Prades - Prades
Dag 19: Prades - Capmany
Dag 20: Capmany - Argelès-sur-Mer
Dag 21: Argelès-sur-Mer - Coursan
Dag 22: Coursan - Brisac
Dag 23: Brisac
Dag 24: Brisac - Meyrueis
Dag 25: Meyrueis - Le Pont-de-Monvert
Dag 26: Le Pont-de-Montvert - Bidon
Dag 27: Bidon - Bédoin
Dag 28: Bédoin - Bédoin
Dag 29: Bédoin - Nîmes
54km
46km
93km
75km
76km
74km
37km
27km
46km
85km
41km
87km
56km
81km
87km
0km
86km
57km
102km
58km
109km
122km
0km
92km
106km
118km
85km
91km
111km
(Jaizkibel)
(Corniche Basque / Ibardin)
(Arichulegui / Otxondo)
(Izpéguy / Burdincurutcheta / Bagargui)
(Passerelle d'Holzarté)
(Marie-Blanque / Aubisque / Soulor)
(Grande Cascade)
(Boucharo / Le Taillon)
(Cirque de Troumouse)
(Tourmalet / Aspin)
(Peyresourde)
(Portillon / Menté / Portet d'Aspet)
(Core)
(Agnès)
(Pailhères)
(rustdag)
(Jau)
(Pic du Canigou)
(Palomère / Le Perthus)
(Banyuls / Tour de Madeloc)
(Etangs)
(Gorges de l'Hérault)
(rustdag)
(Mont Aigoual)
(Gorges de la Jonte / Gorges du Tarn)
(Gorges de l'Ardèche)
(Rhône-delta)
(Mont Ventoux / Gorges de la Nesque)
(Pont du Gard)


Reisverslag

Dag 1: Hendaye - Hendaye (Jaizkibel)

Door een smal, met klinkers geplaveid straatje klimmen we door het oude centrum van Hondarribia omhoog. Als we ons door de drukte van een trouwstoet geworsteld hebben, komen we bij een eeuwenoud gevangenisachtig gebouw. In mijn beste Spaans vraag ik aan een meneer of het inderdaad een gevangenis is. Het blijkt een versterkt kasteel te zijn. Het vierkante fort is in de tiende eeuw gebouwd door de koning van Navarra. Het ligt op het hoogste punt van het stadje en beheerst de monding van de rivier de Bidassoa. Door de strategische ligging had het fort veel te lijden onder achtereenvolgende belegeringen. In de tijd van Karel V was het zo in verval geraakt dat de keizer besloot het grondig te renoveren. We lopen er even omheen en zien dat er nu een hotel gevestigd is.

Alto de Jaizkibel


We verlaten het stadje aan de achterkant en beginnen langzaam aan de beklimming van de Alto de Jaizkibel. Tussen het groen klimmen we langzaam omhoog. Het klimmen is weer even wennen. Bovendien zijn we behoorlijk vermoeid door de lange busreis die we net achter de rug hebben. Middenin de klim, die bekend is uit de wielerklassieker "San Sebastian - San Sebastian", worden we verrast door een afdalinkje van ongeveer een kilometer. Als de weg weer stijgt, krijgen we steeds weidsere vergezichten op de Golf van Biskaje en op de baai van de Bidassoa. Op het hoogste punt staat een bordje met de verrassende tekst ‘Alto de Jaizkibel’. Vanaf de col gaat er een steil, half verhard weggetje omhoog naar de top van de berg. We slaan af en klimmen nog hoger. Als we niet verder kunnen fietsen gaan we te voet door een bergweide verder. Boven hebben we een schitterend uitzicht op de Franse kustlijn met badplaatsen als St Jean-de-Luz en Biarritz. In het oosten zien we de toppen van de uitlopers van de Pyreneeën en verder naar het zuiden de golvende heuvels van Spaans Baskenland. Naar het westen verdwijnt de Spaanse noordkust achter de horizon met San Sebastian aan onze voeten.



Dag 2: Hendaye - Hendaye (Corniche Basque / Ibardin)

Nadat we flink uitgeslapen hebben, staan we de volgende ochtend op met een druilerig regentje. Als het een paar uur later aarzelend ophoudt met regenen verlaten we de camping voor een wat gedegener bezoek aan Hendaye, waarvan de naam een verbastering is van het Baskische handi ibai, wat ‘grote rivier’ betekent. Hierbij wordt gedoeld op de Bidassoa. Na een afdaling van een kilometer zetten we de fietsen aan de boulevard op slot en gaan we lopend verder.

Corniche Basque


Terug op de camping besluiten we ‘s middags om nog een rondje te gaan fietsen. We fietsen over de kustweg langs de rotsen van de Corniche Basque in de richting van St Jean-de-Luz. Prachtig gelaagde rotspartijen komen steil uit de zee tevoorschijn. Niet lang nadat we de kust de rug toe hebben gekeerd staan we aan de voet van de Col d'Ibardin.Door het bos klimmen we geleidelijk omhoog. Achteromkijkend zien we steeds grotere stukken zee. Het is erg druk op de weg: de stroom auto’s die ons tegemoet komt houdt niet op. Later op de col blijkt waarom. De col bevindt zich op de grens en het heeft iemand goed gedacht midden in de natuur een groot tax-free winkelcentrum te beginnen. De koeien die vrij over de weg lopen zijn er blijkbaar aan gewend. Rustig herkauwend eisen ze bedaard hun plaats op tussen het verkeer. Na een ontspannen, niet zo steile afdaling resten ons nog zo’n 15 kilometers door het prachtige stroomdal van de Bidassoa. We gaan stroomafwaarts, dus het gaat licht naar beneden. We fietsen over de drukke verbindingsweg tussen Pamplona en Irún. Door de drukte kunnen we helaas niet rustig om ons heen kijken, maar moeten we al onze aandacht bij het verkeer houden.

Baskische heuvels



Dag 3: Hendaye - Erratzu (Arichulegui / Otxondo)

Gewapend met een flesje oceaanwater keren we de Atlantische Oceaan de rug toe en beginnen we aan de doorsteek naar de Middellandse Zee. De Baskische heuvels vormen het speelterrein voor vandaag. In Lesaka slaan we linksaf in de richting can de Collado de Arichulegui. Na eerst nog wat lintbebouwing met veel blaffende honden op de balkons, komen we al snel in dunbevolkt gebied. Al snel wordt het steiler. Enkele kilometers van 9 a 10% met volle bepakking is ook weer even wennen. Op de hellingen waar we tussendoor fietsen wordt hier en daar hout gekapt. Enkele gigantische vrachtwagens vol boomstammen komen ons tegemoet. Constant remmend dalen ze langzaam af. De collado blijkt een tunnel van zo’n 100 meter lang onder de bergkam door. Vanaf hier is het dalen naar een stuwmeer, waarna de weg weer gaat stijgen. Door een dicht bos met overal varens op de bodem en tegen rotswanden slingert de bochtige weg omhoog. De westelijke Pyreneeën zijn vochtig en hebben een rijke grond, zodat een weelderige begroeiing mogelijk is.


Via de onbeduidende Col de Lizuniaga fietsen we Frankrijk weer binnen. We zijn vlakbij de berg die wel geldt als de westelijke begrenzing van de Pyreneeën, La Rhune. Deze 900 meter hoge berg is in de hele kuststreek prominent aanwezig. We zagen hem al in de bus op de snelweg en natuurlijk vanaf de Jaizkibel. Het is de nationale berg van de Basken en zij hebben ‘m de naam Larrun gegeven, Baskisch voor ‘goede weide’. De Fransen zagen het ‘La’ consequent aan voor lidwoord en maakten er dus twee woorden van.


Na een redelijk vlak gedeelte langs een riviertje komen we in Ainhoa. Het dorpje is ooit ontstaan rond een kapelletje dat onderdak bood aan pelgrims op weg naar Santiago de Compostela. In Dancharia, op de grens, doen we inkopen bij een groot tax-free winkelcentrum. We staan hier meteen aan de voet van de Puerto de Otxondo. In 10 kilometer moeten 500 hoogtemeters overbrugd worden. Het is niet echt steil en de weg loop gelijkmatig omhoog. Als we hoger komen ontvouwen zich schitterende vergezichten naar het westen. Eerst alleen maar bergen, maar langzamerhand kunnen we een steeds meer Oceaan zien. In de afdaling komen we langs het dorpje Amaiur of Maya. Hier werd de laatste poging tot het uitroepen van een onafhankelijk Koninkrijk Navarra in de kiem gesmoord. Even verderop vragen we aan een señorita op leeftijd of er een camping in de buurt is. Drie kilometer verderop blijkt er een te zijn en even later kunnen we de tent opzetten.



Dag 4: Erratzu - Larrau (Izpeguy / Burdincurucheta / Bagargui)

Na een relatief frisse nacht (12°C) zitten we al snel weer op de fiets voor de volgende etappe. Voor het laatst fietsen we langs de Bidassoa. Enkele dagen gelden waren we bij de monding van deze rivier, nu zijn we dicht bij de bronnen. We zijn bezig met de beklimming van de Ispéguy. Of, op z’n Spaans, de Izpegi. Net als de Otxondo is het een gemakkelijke beklimming. Ontspannen rijden we in de frisse ochtendlucht door een geurend bos omhoog. Aan onze rechterhand hebben we af en toe zicht op een berg met de ingewikkelde naam Elhorrikokaskoa. Op de col ontwaren we in de verte hogere Pyreneeëntoppen.

Burdincurucheta


Na de luch staan we al snel aan de voet van de Col de Burdincurucheta. Eerst gaat het door een breed, groen dal nog langzaam. Dan doemt plotseling een muur voor ons op. De onderste 4 kilometers van deze col zijn steiler dan 10%. Regelmatig zitten er zelfs stukken van 14% tussen! Plotseling krijgen we tot onze verrassing zicht op de Atlantische Oceaan. Hemelsbreed zijn we daar toch inmiddels meer dan 50 kilometer van verwijderd. Hogerop de col belanden we middenin een kudde schapen. Het vee is immuun voor auto's, maar voor ons slaan ze op de vlucht. "Als je met zo'n zwaar bepakte fiets onze col opgaat, moet je wel gevaarlijk gek zijn," denken ze waarschijnlijk. Niet lang na dit intermezzo staan we op de col-met-de-lange-naam


Na een korte afdaling komen we in een gebied met wat bergmeertjes, stroompjes en sappig groen gras. Hier slaan we af in de richting van de Col de Bagargui. Op papier is dit een gemakkelijke klim, maar in de praktijk valt dat door het onregelmatige karakter ervan wat tegen. Het venijn zit ‘m in de bergstroompjes die we over moeten steken. Steeds dalen we af in het stroomdalletje om er vervolgens heel steil weer uit te klimmen. Zo wordt een kilometer die gemiddeld 4% stijgt toch zwaarder dan je op het eerste gezicht denkt. De afdaling naar Larrau is een afzink eerste klas: lang en erg steil. Omdat het wegdek niet in perfecte staat verkeert is het voorzichtig dalen. Bovendien lopen er paarden en koeien over de weg. Hete velgen dus! Onderin wacht ons nog een gemeen en onvoorzien klimmetje naar Larrau, de plaats van bestemming voor vandaag.



Dag 5: Larrau - Escots (Passerelle d'Holzarté)

Naast dat je er uitstekend kunt fietsen, zijn er natuurlijk ook fantastisch mooie wandeltrektochten mogelijk in de Pyreneeën. Om daar wat van te proeven willen wij als zich een leuke en interessante mogelijkheid voordoet af en toe ook een stukje lopen. Vandaag is zo’n mogelijkheid. We zijn in de Haute-Soule, een gebied wat bekend staat om zijn diepe kloven. Enkele kilometers voorbij Larrau kruist onze weg het GR10 wandelpad. We laten de tent en de tassen op de camping staan en vertrekken al vroeg voor ons bezoek aan de Gorges d’Holzarté. Na een paar minuten dalen op de fiets komen wij bij het begin van de gorge, waar we de fietsen op een parkeerplaats achterlaten.

Passerelle d'Holzarté


Het smalle pad langs de Gave de Larrau gaat geleidelijk omhoog. Door het vroege tijdstip is het nog rustig op dit populaire wandelpad. Al snel wordt het pad steiler en verdwijnt het bergbeekje rechts van ons verder in de diepte. We lopen door een dicht loofbos. Na een klein uurtje lopen komen we bij de plaats waar de gorges van de Holzarté en de Olhadubi bij elkaar komen. Het uitzicht op de loodrechte wanden van de diepe kloven is fantastisch. De zon staat nog laag, zodat een groot gedeelte van de gorges nog in de donkere schaduw ligt. Als we even doorlopen komen we bij de passerelle d’Holzarté. De passage van deze schitterend gelegen hangbrugbrug is een aparte ervaring: de brug wiebelt en tussen de planken door kijk je in een afgrond van 180 meter. Na een foto en een paar koekjes keren we terug naar de camping.


De rest van de dag staat in het teken van mijn versleten achterband. Vooraf dacht ik dat het nog wel ging, maar na een paar dagen fietsen blijkt de slijtage dusdanig dat een nieuwe band zeer aan te bevelen is. Na een aantal mislukte pogingen, veel gezoek en een doos kersenijs later vinden we eindelijk de juiste fietsenmaker in Oloron. Tevreden verlaten we de stad in zuidelijke richting op weg naar de voet van de Col de Marie-Blanque. Halverwege deze col, vlak nadat het makkelijke gedeelte overgaat in het dodelijk steile gedeelte, vinden we een heerlijk rustige camping.



Dag 6: Escots - Argelès Gazost (Marie-Blanque / Aubisque / Soulor)

Vlak nadat we de camping verlaten hebben passeren we een kilometerpaal die ons 13% aankondigt. Tegen deze vier kilometers kan geen enkele col of berg in deze vakantie op. We doen ons best om het nog een beetje rustig aan te doen: elke 250 meter gaan we van de fiets voor een slok water en om even uit te blazen. Op de col is het nog frisjes. Wolkenflarden zijn niet ver. De afdaling is lang zo steil niet als de beklimming. Weer fietsen we door golvende groene weiden naar beneden. Het riviertje waar langs we dalen verwijdt zich af en toe tot een idyllisch bergmeertje.

Kuuroord Eaux-Bonnes


Nadat we een half uurtje in het brede dal van de Gave d'Ossau gereden hebben komen we aan de voet van de beroemde Col d'Aubisque. Met een extra dosis adrenaline duiken we in het spoor van winnaars en verliezers. De eerste kilometers naar het kuuroord Eaux-Bonnes zijn niet echt steil. Op reserve rijden we omhoog. In het kuuroord stappen we af en tussen de bloemen en de bomen eten we wat koekjes. Landschappelijk is de Aubisque een erg mooie col. Vanuit het dal hebben we weidse uitzichten op de hoge bergtoppen om ons heen. In het ski-oord Gourette vergrijpen we ons aan een Solero om ons nieuwe vakantie-hoogterecord te vieren. We fietsen boven de Bagargui uit. Allebei gaan we lekker omhoog. De klim naar de Aubisque is lang, maar er zitten geen lange stroken van boven de 10% bij. Wel stoppen we nog elke kilometer. We zijn op vakantie en hebben alle tijd.

Aubisque


Enkele kilometers voor de top komen we bij een hotel waar we water tanken en wat kaarten kopen. Het hotel is gebouwd op een schitterend uitzichtspunt. We hebben een fantastische terugblik op het dal waar we uit geklommen zijn. Honderden meters onder ons, maar vlakbij in de horizontaal, ontwaren we de pasweg. Het landschap om ons heen vertoont inmiddels alle kenmerken van het hooggebergte. De bomen zijn verdwenen en hebben plaatsgemaakt voor alpenweiden. In dit decors leggen we de laatste kilometers naar de top af. We spelen nog even wat met een uitgeputte wielrenner en dan zijn we boven. Nadat we even rondgekeken hebben zetten we de helm op het hoofd voor de afdaling. In een gemene bocht naar rechts zie ik in een flits de plaquette voor Wim van Est aan de rotsen bevestigd, die hier ooit onderin het ravijn ging kijken. Wij dalen verder en komen bij het Cirque de Litor. Ook deze kant van de Aubisque is landschappelijk geweldig. In de diepte slingert door het woeste landschap de weg naar Pau. De weg door de wand van het cirque is, compleet met een aantal tunneltjes, uitgehakt in de rotsen.


Vanaf de kant van de Aubisque is de klim naar de Soulor niet meer dan een dipje in de afdaling. Na een heerlijke afdaling over een goed wegdek arriveren we in Argelès-Gazost. Met de schorpioen hoog aan de hemel zoeken we de tent op om de volgende dag weer op te staan voor een gecombineerde fiets-wandeldag.



Dag 7: Argelès Gazost - Gavarnie (Cirque de Gavarnie)

De hele ochtend gaat het vals plat omhoog door de gorges van de Gavarnie. Tussen het drukke verkeer met de onvermijdelijke uitlaatgassen vorderen we langzaam. Vandaag verplaatsen we ons naar Gavarnie aan de voet van het gelijknamige cirque. Na een paar uur ploeteren arriveren we in het van de toeristen vergeven dorp. De camping is echter met afstand het mooist gelegen van alle campings die we tegengekomen zijn met zicht op de loodrecht oprijzende wanden en de machtige toppen van het cirque. Het Cirque de Gavarnie is een van de vele komvormige keteldalen in de Pyreneeën. Vanaf de licht oplopende bodem van het dal rijzen de wanden in een halve cirkel loodrecht omhoog.

Grande Cascade


Na de lunch maken we ons op voor een wandeling naar de Grande Cascade. Met 402 meter is dit de hoogste waterval van Europa. Op het uitgesleten pad dat naar het cirque en de waterval leidt, zien we jengelende kleine kinderen, stoere bergwandelaars, oude omaatjes en alles wat daar tussenin zit. Na het Hôtellerie du Cirque wordt het wat rustiger: dit is het eindpunt van de paarden en muilezels die in Gavarnie te huur zijn. Nu moet er ook meer geklauterd worden. Eerst nog door bergweiden, later door los puin komen we in de buurt van de waterval die al op meer dan 10 kilometer afstand grote indruk maakte. Het gebulder van het in majestueuze golven neerstortende water wordt steeds oorverdovender. Vlakbij de waterval hangt een fijne nevel van waterdruppeltjes. Het is heerlijk om midden op deze warme dag het koude smeltwater in je gezicht te laten waaien.



Dag 8: Gavarnie - Gavarnie (Le Taillon)

Voor ons vertrek naar Zuid Frankrijk hebben we thuis de kaart afgezocht of we niet ergens redelijk gemakkelijk een drieduizender konden beklimmen. Na enig speuren vonden we een slachtoffer in de Taillon (3144m), een van de toppen van het Cirque de Gavarnie. Vandaag is het zover. Gelukkig is het weer al dagen goed. Daar hoeven we ons geen zorgen over te maken. Het eerste gedeelte van de klim kunnen we per fiets doen. Als we pas net aan het klimmen zijn, staat mijn voorband lek. Natuurlijk hebben we de plakspullen net nu in de tent laten liggen. Jantine racet even terug om ze te halen, waarna het probleem snel verholpen is. We komen door een verlaten ski-station. ‘s Winters schijnt het hier een druk skigebied te zijn. Langs de weg staat een groepje rijkelijk met groene verf gemerkte schapen, op enige afstand van de weg spelen bergmarmotten. Na 12 kilometer klimmen staan we op de Col de Boucharo, de hoogste col van de vakantie.

Refuge de Sarradets


We zetten de fietsen op slot en vertrekken voor de tweede etappe van de Boucharo naar de Refuge des Sarradets. Het pad over de noordflanken van de Gabiétou en de Taillon is eerst nog breed en het stijgt beheerst. Na enige tijd wordt het pad smaller en steiler. Als we bij een bergstroompje komen wordt het echt klimmen. Half door het snel stromende water, half langs de kant, werken we ons langs een vriendelijk aangebrachte staalkabel naar boven. Na de oversteek van het smeltwater volgt de behoorlijk steile beklimming van de Col du Taillon. Bovengekomen hebben we een schitterend uitzicht op de Marboré, la Tour en le Casque met op de voorgrond de refuge en het bovenste gedeelte van de Grande Cascade. Bij de refuge aangekomen eten we het meegebrachte brood op en vullen we de watervoorraad bij, voordat we aan de derde etappe beginnen.

Brêche de Roland


Een van de nog niet genoemde publiekstrekkers van het Cirque de Gavarnie is de Brêche de Roland. De Brêche wordt gevormd door een 40 meter brede en 100 meter hoge bres in de wand van het cirque. Volgens een legende is de bres ontstaan door toedoen van de dappere ridder Roeland, de aanvoerder van de achterhoede van het leger van Karel de Grote. Toen in de heldhaftige strijd met de Moren alles verloren was probeerde de dodelijk gewonde held zijn magische zwaard Durendal te breken door ermee op de rotsen te slaan. Het zwaard bleef heel, maar de rots niet met de Brêche de Roland als gevolg. Hoewel de gebeurtenissen in het Roelandslied niet helemaal overeenstemmen met wat zich in werkelijkheid afspeelde in 778 -het leger werd in de nauwe pas overvallen door op buit beluste Baskische boeren- , blijft het natuurlijk een mooi verhaal en de Brêche de Roland wordt er niet minder indrukwekkend van. Vanaf de Refuge de Sarradets zien we mensen als mieren zo groot in de Brêche de Roland staan. Over een morene klimmen we langzaam verder omhoog. We passeren het eerste deel van de gletsjer en bereiken een klein plateautje. Inmiddels wordt de Brêche de Roland groter en groter. Schuifelend steken we een tweede sneeuwveld over. Na een laatste klauterpartij door rul puin staan we even later samen met vele anderen in de Brêche de Roland (2807m).

Afdaling Taillon


Aan de Spaanse kant van de bres volgen we de wand van het cirque naar het westen. Aan onze rechterhand rijst de wand hoog op, aan de linkerkant verdwijnt een puinhelling de diepte in. Als we omkijken zien we hoe verbazingwekkend dun de wand van het cirque is. Bij de Fausse-Brêche, de ‘valse bres’, kunnen we Frankrijk weer inkijken. Hier moet er even wat meer geklauterd worden. De top van de Taillon lijkt nog ver weg. Dit is de eerste keer dat ik zoiets als dit doe en ik moet even doorbijten. We lopen aan de Franse kant om le Doigt heen (de Vinger), waarna we op de graat van de Taillon komen. Langs de zuidflank van de Taillon overbruggen we de laatste 150 hoogtemeters. Bovengekomen hebben we een weergaloos uitzicht op de omgeving. Expeditie geslaagd.

Cirque de Troumouse



Dag 9: Gavarnie - Gavarnie (Cirque de Troumouse)

Na een weer intensief fietsen hebben we wel een rustdag verdiend. De ochtend brengen we door met uitslapen totdat we door de brandende zon de tent uitgejaagd worden. 's Middags besluit ik het naburige Cirque de Troumouse met een bezoek te vereren. Jantine blijft dit keer achter op de camping. Na een snelle afdaling arriveer ik in Gèdre, waar de klim naar het Cirque de Troumouse begint. De klim begint vrij steil, maar na een paar kilometer wordt het even wat minder. Hier zie ik ver voor me de achterwand van het Cirque. Verderop is het asfalt enkele kilometers grotendeels gesmolten. Door een penetrante teerlucht fiets ik verder, terwijl los grind aan mijn banden blijft plakken. Vlak voor een eerste serie haarspeldbochten staat een tolhuisje. Auto’s en bussen moeten hier een paar euro betalen om verder te mogen. Met de haarspelden slingert de weg zich uit het onderste gedeelte van het dal naar boven. In de bochten profiteer ik af en toe van een verkoelend windje: na een draai naar links fiets ik met de wind mee en is het heet, na een draai naar rechts blaast een heerlijk briesje in mijn gezicht. Na een klein dipje in de klim, denk ik dat ik bijna boven ben. Met een iets hoger tempo begin ik aan de tweede serie haarspelden. Nog een paar bochten schat ik. Maar steeds als ik een bocht rond, verschijnen er weer nieuwe bochten. Ik blijf doortrappen en uiteindelijk bereik ik na anderhalf uur klimmen het einde van de weg. Het laatste gedeelte was mooi, met korte vinnige haarspelden, maar wel erg zwaar.



Dag 10: Gavarnie - Arreau (Tourmalet / Aspin)

Na drie heerlijk frisse nachten in Gavarnie nemen we de volgende morgen afscheid van het fantastische uitzicht op het cirque. Vandaag gaan we weer trekken. Na een bezoek aan een supermarkt in Luz St Saveur, beginnen we aan de 18 kilometer lange klim naar een van de hoogste en misschien wel de beroemdste col van de Pyreneeën, de Col du Tourmalet. De naam van de col stamt waarschijnlijk uit de beginperiode. Toen in 1788 de normale route naar Luz-St-Saveur overstroomd was, gebruikte men tegen wil en dank de weg over de Tourmalet (= slechte route) als alternatief. Was zelfs in de pioniersjaren van de Tour de France de weg nog onverhard, tegenwoordig ligt er een perfect onderhouden asfaltweg naar de col.

Tourmalet


Jantine heeft er zin in na een dag luieren en rijdt in een strak tempo omhoog. Zodoende naderen we al snel het kuuroord Barèges. Op enkele lange rechte stukken na Barèges is het zweten geblazen. Rechts van ons verrijst het Massif de Néouville, links de Pic du Midi. In de verte zien we het hotel op de col liggen. De laatste kilometers naar de col zijn zwaar. Niet dat het zoveel steiler wordt, maar de lengte van de klim gaat nu meetellen. Met de warmte gaat het beter nu we in de buurt van de 2000 meter komen. Via een grote slinger komen we in de laatste kilometer en die doe je niet zomaar. Met name de laatste paar honderd meter, na de laatste haarspeldbocht naar links, zijn ontzettend steil.


Helaas zit een beklimming van de Pic du Midi er niet in. De weg ernaar toe is met een slagboom afgesloten. Jammer, want het uitzicht bovenop deze berg moet naar alle kanten fantastisch zijn. Na de lunch en een sinaasappel besluiten we dan ook maar om af te dalen. Al snel flitsen we door het typisch lelijke ski-station La Mongie. We hebben tegenwind in de afdaling. Desondanks loopt de snelheid op lange rechte stukken hoog op. Als we lager komen hebben we het gevoel een heteluchtoven binnen te rijden. Als we beneden in het dal rechtsaf slaan in Ste-Marie de Campan, begint de weg meteen weer te stijgen. We zijn begonnen aan de klim naar de Aspin.


Het eerste gedeelte van de Aspin is niet erg steil. Na het dorpje Payolle komen we in het bos. Hier beginnen de haarspelden en wordt het steiler. Boven op de Aspin hebben we een fantastisch uitzicht op de bergen in de verte. Helaas staan er ook heel veel auto’s en is het er erg druk. Maar dat is natuurlijk het risico bij de beroemde cols. In de afdaling hebben we een schitterend uitzicht op de Vallée d’Aure.

Peyresourde



Dag 11: Arreau - Bagnères-de-Luchon (Peyresourde)

Nadat we in de Petit-Casino tegenover de kerk wat drinken en wat koekjes gekocht hebben, vervolgen we onze tocht langs de ‘Route des Cols’ in de richting van de Peyresourde. Vlak na de afslag naar Val-Louron begint de weg echt te klimmen. Omdat het nog vroeg is valt het met de hitte gelukkig nog mee. Weer kunnen we de col al van ver zien liggen. De laatste kilometers gaan door het open veld, waar het ondanks de hoogte toch al warm wordt. Op de top eten we wat koekjes waarna we het departement Hautes-Pyrénées verlaten en Haute Garonne binnenfietsen. De snelheid loopt weer op tot zo’n 70 km/uur. Rond het middaguur arriveren we in Bagnères-de-Luchon, waar we tegenover het kuurpaleis in een klein park onze lunch nuttigen. Vandaag is het erg warm. Zeg maar heet. Zo’n hitte hebben we nog niet meegemaakt.


Hoewel Jantine zich niet helemaal goed voelt, proberen we toch nog de Col du Portillon te beklimmen. Meteen aan de voet begint de Portillon met 10%. Al na 100 meter puffen besluiten we op te geven: met deze hitte is het sowieso al gekkenwerk om te fietsen, als je je niet fit voelt is het gewoon niet te doen. Terug in Luchon zetten we op een camping dan maar de tent op. Als ik in het dorp wat drinken, wat perziken en een bak kwark ga kopen geeft de thermometer in de hoofdstraat 37° aan. Onze eigen thermometer en die van de camping zijn het hiermee eens. Het zal dus wel kloppen...



Dag 12: Bagnères-de-Luchon - Castillon (Portillon / Menté / Portet d'Aspet)

Na het ontbijt op een bankje in de hoofdstraat van Luchon, staan we de volgende ochtend voor de tweede keer aan de voet van de Col du Portillon. Dit keer in de ochtendkoelte in plaats van op het heetst van de dag en dat scheelt de helft. Na het eerste steile gedeelte komen we langs een waterval. Eerst fietsen we onderlangs, enkele bochten verder zijn we aan de bovenkant. Na de waterval wordt het met 14% enkele honderden meters lang erg steil. Al snel bolt de helling gelukkig wat af. De onregelmatige klim voert ons door een bos omhoog. De laatste kilometers zijn weer erg steil: tegen de 10%. Om tien uur al staan we nog steeds in het bos op de col, die zich op de grens met Spanje bevindt.

Menté


Na een kleine 20 kilometer op Spaans grongebied fietsen we Frankrijk weer binnen. Al snel hierna staan we aan de voet van de steile Col de Menté. De warmte van de dag maakt het nog zwaarder dan het al is. Na enkele kilometers kunnen we gelukkig water tanken, want het zweet vliegt eruit bij deze temperaturen. Het stijgingspercentage ligt voortduren rond de 10. Door een forse bloedneus wordt ik tot een aanzienlijke rustpauze gedwongen. Ondertussen klimt Jantine alvast door. Het kost met 20 minuten om haar weer bij te halen. Afwisselend rijden we door stukken bos en door open gebied. Na een korte stop op de pas zetten we de afdaling in.


Beneden gekomen kunnen we meteen beginnen aan de beklimming van de Portet d’Aspet. In de vier en een halve kilometer naar de col moeten bijna 450 hoogtemeters overbrugd worden. Wederom dus een zeer steile col. In de bocht waar in '95 Casartelli verongelukte geeft mijn hellingmetertje 15% aan. De beklimming van de Portet d’Aspet gaat geheel door het bos. Bij een kleine bron op de col kunnen we ons even heerlijk verfrissen waarna we beginnen aan de afdaling. Het laatste gedeelte naar Castillon is afzien: we zitten al lang op de fiets en echt dalen doen we niet meer. Soms moeten we zelfs een stukje omhoog.



Dag 13: Castillon - Aulus-les-Bains (Core)

De Col de la Core vormt het ontbijt voor de volgende dag. De eerste helft van de klim is goed te doen, de tweede helft is wat steiler. We hebben de steile cols van gisteren nog in de benen zitten. Gelukkig is de Core niet al te zwaar. We besluiten om het vandaag wat rustiger aan te doen. Als we bij het Lac de Bethmale komen, gaan we even van de fiets. Er blijkt hier een heuse recreatieplas te zijn. Boven op de col maken we een praatje met een aantal Nederlanders die ook aan het fietsen zijn.


Na de lunch in Seix, slaat de after-lunchdip genadeloos toe bij Jantine. De snelheid is er behoorlijk uit. Om ons heen schieten dreigende cumuli als paddestoelen de lucht in. In Sérac, aan de voet van de laatste hobbel van de dag nemen we een ruime pauze. In het gemeenschappelijke washok van het dorp zakken we heerlijk onderuit. Langzaam komt de bui die al een tijd in de verte hangt dichterbij. Dan begin het ook bij ons te regenen. Eerst nog zachtjes, later lijkt het wel een wolkbreuk. Als het bijna droog is trekken we de regenjasjes aan en gaan we weer op pad. Je moet die dingen tenslotte toch een keer aantrekken. Na een kilometer klimmen in de vochtig warme regenwoud-atmosfeer gaan de jackjes echter al snel weer uit. Doordat het wegdek nog warm is, verdampt het oppervlak als een trein. De vochtige lucht kan de extra waterdamp bij lange na niet meer opnemen, zodat boven de weg verspreide mistflarden ontstaan. In een rustig tempo beklimmen we de Col de Latrape. Of is het toch de La Trappe, wat we ook enkele keren op de borden zien staan?

Beklimming Agnès



Dag 14: Aulus-les-Bains - Luzenac (Agnès)

De eerste kilometers doet de Col d’Agnès zijn uiterste best gelijke tred te houden met de Col de Menté. Met een tweede en een derde kilometer van respectievelijk 10,5 en 10% lijkt dat prima te lukken. Daarna moet de Agnès gelukkig voor ons behoorlijk afhaken. Goed op tijd verlaten we Aulus-les-Bains, nadat we wat drinken, koekjes en een brood hebben ingeslagen. In tegenstelling tot de afgelopen dagen is het bewolkt. Na de zon en de hitte van de voorbije dagen vinden we dit helemaal niet erg. Door een dicht bebost dal gaat het steil omhoog. Als we hoger komen wordt het zoals gezegd minder steil. Terugkijkend zien we dat we langzaam boven de gister beklommen Col de Latrape uitklimmen. In het dal ligt als een poppendorpje Aulus-les-Bains. De laatste dagen is het erg rustig op de wegen. Het gedeelte van de Pyreneeën waar we nu doorheen trekken ligt een beetje tussen alle grote dorpen en toeristische trekpleisters in. Een ideaal fietsgebied.


Na een lang stuk heerlijk vals plat moeten we nog een paar steilere bochten bedwingen voor we op de col kunnen staan. De afdaling van de Agnès voert ons door een schitterend woest landschap. De verlaten bergweiden zijn bezaaid met talrijke rotsblokken. Beboste hellingen maken het decor compleet. Bij de afslag naar de Port de Lers gaan we even van de fiets bij een idyllisch bergmeertje. Middenin het woeste landschap ligt hier het Etang de Lers. Het is een van de vele bergmeertjes in de Pyreneeën. De vier kilometers naar de Port de Lers zijn vervolgens snel afgelegd. Tot de rivier de Ariège gaat het nu naar benede. Eerst steil over een smalle weg door het bos, later over een grotere weg meer vals plat.


In de bedding van de Ariège, die in Toulouse samenstroomt met de Garonne, genieten we onze lunch op een kiezelstrandje. Het volgende doel is Ax-les-Thermes. Omdat de drukke Route Nationale ons niets lijkt, kiezen we voor een landelijk alternatief. Ten noorden van deze weg zien we op de kaart een wit weggetje lopen. Als we na het gehucht Bompas de D20 opdraaien zien we in de verte tussen de heuvels de bliksem inslaan. De lucht zit weer vol met buien. De temperatuur is inmiddels weer behoorlijk opgelopen. Onzeker of we het volgende dorp droog zullen bereiken verlaten we Arnave. De weg begint weer te klimmen. Gelukkig lijken we de bui te missen. Vanaf de Pas de Souloumbrie fietsen we over de bochtige weg naar het zuidoosten. Als we even later toch in de regen terecht komen, blijken we vlakbij een camping te zijn. Omdat we geen zin hebben om in de regen verder te fietsen, zetten we hier onze tent op.

Pailhères



Dag 15: Luzenac - Axat (Pailhères)

Vandaag gaan we eindelijk weer eens naar 2000 meter. De Col de Pailhères is een zware jongen onder de cols. Beheerst beklimmen we het eerste gedeelte van de col. In een aantal haarspeldbochten klimt de weg boven Ax-les-Thermes uit. Na de splitsing naar de Col de Chioula wordt het een aantal kilometers wat minder steil. De laatste zes kilometers, voorbij het ski-station Ascou-Pailhères, zijn weer erg steil. Het steile gedeelte begint met een aantal korte haarspeldbochten die ons een schitterende terugblik op Ax-les-Thermes bezorgen. Tussen de bergweiden leggen we het laatste gedeelte naar de col af. Na wat foto's genomen te hebben storten we ons in de regelrechte kurkentrekkerafdaling. Heerlijk!


Beneden maken we een omweg om de gorges van de Rebenty te bezoeken. Om daar te komen moeten we eerst nog een onbeduidend pasje beklimmen (Côte d'Aunat). Nadat we enige tijd op een plateau hebben gefietst dalen we steil af naar de rivier de Rebenty. Het Défile de Joucou is veel te kort. De schoonheid ervan is adembenemend, maar voor je het weet ben je erdoorheen. Na een drietal tunneltjes verbreedt de gorge zich tot een steil rivierdal met beboste wanden. Ons resten nog zo’n 15 kilometers vals plat naar beneden, stroomafwaarts langs de Rebenty. Ontspannen rijden we zonder al te veel moeite in een lekker tempo richting Axat.



Dag 16: Axat (rustdag)

In principe zouden we van hieruit in een dag naar de kust kunnen fietsen. Wij zijn echter van plan nog wat ommetjes te maken en nog wat in de bergen te spelen. Maar eerst dus een dag uitrusten. Omdat er in de buurt geen verleidelijke kleine rondjes te fietsen zijn, wordt het ook een echte rustdag. We zijn vandaag op de helft van de vakantie: we hebben twee weken gehad, we hebben er dus ook nog twee te gaan. Na eerst lang uitgeslapen te hebben, vermaken we ons met een Nederlandse krant. Overal hitte is de boodschap. Bosbranden in Noordoost Spanje, een miljoen omgekomen kippen in Zuid Frankrijk en onveilig zwemwater in Nederland. Verder staat er een leuk artikel in over vooroordelen onder Europeanen. Als de krant uit is zoeken we andere bezigheden. We doen een wasje, lezen wat en doen af en toe een dutje. Op die manier komen we de dag wel door.

Mosset



Dag 17: Axat - Prades (Jau)

De volgende ochtend zitten we vroeg op de fiets voor een korte etappe. Na de prachtige Gorges de St Georges slaan we af in de richting van de Col de Jau. Door een breed rivierdal klimmen we geleidelijk naar het dorpje Ste-Colomble. Tussen de huisjes door zijn enkele pittoreske doorkijkjes. Na Ste Colombe volgen twee steile kilometers door het smaller wordende dal. Na een T-splitsing waar we linksaf slaan wordt het weer minder steil. We worden nu voortdurend belaagd door wolken vliegen. Door een geurend naaldbos klimmen we verder naar de col. Hier hebben we een weids uitzicht naar het zuiden. In de verte zien we de hoge pieken van het massif du Canigou liggen. In de afdaling komen we door Mosset, dat zichzelf presenteert als een van de mooiste dorpjes van Frankrijk. En hoewel er natuurlijk heel veel mooie dorpjes zijn, doet Mosset inderdaad leuk mee. We zetten de tent op in Prades, aan de voet van de Canigou.

Stuwmeer in de Têt


We bevinden ons in het Franse gedeelte van Catalonië. Dat is te zien aan de vele rood-gele vlaggetje en de tweetalige plaatsnaamborden. Voor het eerst merken we duidelijk Mediterrane invloeden: palmen en typische witte huizen met oranje daken. Het is pas tegen enen, zodat we met de kaart in de hand op zoek gaan naar een leuke invulling van de middag. Uiteindelijk besluit ik ondanks de temperatuur van tegen de 40°C nog een rondje te gaan fietsen. Jantine is verstandiger en blijft op de camping. De hitte op de klim naar het gehucht Arboussols is verschrikkelijk. Gelukkig maakt het uitzicht op een stuwmeer in de Têt nog wat goed. Op een splitsing bekijk ik de kaart nog eens goed en besluit om maar weer terug naar de camping te gaan. Achteraf had ik beter de 1760 meter hoge Col de Mantet kunnen befietsen. Dan had ik waarschijnlijk minder last van de hitte gehad.



Dag 18: Prades - Prades (Pic du Canigou)

Wat La Rhune is voor de Basken, is de Canigou voor de Catalanen. De eerste geldt als de meest westelijke berg van de Pyreneeën, de laatste als meest oostelijke. Vandaag gaan we de Canigou beklimmen. Tot de Chalet des Cortalets kunnen we met de fiets, het resterende stuk moeten we lopen. Qua fietsen is het ondanks de Mont Ventoux en de Tourmalet de zwaarste beklimming van de vakantie: 26 kilometer lang, stukjes tot 21% en 16 kilometer over een slechte onverharde weg.


Om half acht is het nog rustig in de straten van Prades. Het is heerlijk weer. Hoewel het woord ‘ochtendkoelte’ misschien verkeerde associaties oproept, kunnen we voorlopig goed leven met de temperatuur. Als we Prades verlaten hebben, fietsen we tussen de perzikbomen naar de abdij St-Michel-de-Cuxa. Na twaalf kilometer klimmen staan we op de Col de Millères. Tot hier is niet echt steil en is de weg mooi verhard. Op de col slaan we linksaf. De 16 onverharde kilometers naar de Chalet des Cortalets zijn begonnen. De eerste paar honderd meters nog enigszins verhard. Wel stijgt de weg meteen al met 14%. Ook zonder bepakking komen we amper vooruit. Even verder worden we aangehouden door een parkwachter. Met een kritische blik op onze fietsen vraagt hij of we van plan zijn de Canigou te beklimmen. Nadat we bevestigend geantwoord hebben vertelt hij ons dat deze kant van de klim officieel verboden is voor alle voertuigen. Strikt genomen mogen we er dus niet fietsen, maar wel met onze fietsen aan de hand lopen. Na een waarschuwing voor erg slecht wegdek en steile stukken mogen we doorfietsen.

Tijdens de beklimming van de Canigou


Inderdaad passeren we al snel een slagboom die de weg voor alle verkeer afsluit. Inmiddels is het gelukkig iets minder steil geworden. Er ontvouwt zich een schitterend uitzicht richting het dal van de Têt met Prades vlak onder ons. Omdat de weg dus verboden is voor alle verkeer hebben we het rijk alleen. Met volle teugen genieten van deze uitzonderlijke tocht. Op het stukje van 21% moeten we echt volle bak geven om op de fiets te blijven. Het pad is hier iets breder dan een jeep nodig heeft en ligt ingeklemd tussen de rotswand en de afgrond. Staan op de pedalen, iets wat ik voor de afwisseling erg graag doe, is niet aan te raden: het achterwiel heeft doordat er minder gewicht op drukt al snel de neiging weg te schieten.

Op de top van de Pic du Canigou


Na uren ploeteren en stuiteren komen we tenslotte bij de Chalet des Cortalets. Hier zetten we de fietsen tegen het hek en nadat we gelunched hebben gaan we te voet verder. We lopen langs een klein moeras tussen grazende paarden door. Al snel wordt het wat steiler. Het omschakelen van het fietsen naar het lopen gaat niet bepaald soepel. Toch raken we na enige tijd gewend aan het nieuwe bewegingsritme. De helling waarover we omhoog klimmen is bezaaid met grote en minder grote rotsblokken. Als we dichter bij de top komen wordt het puin wat fijner. Het laatste gedeelte is ook wat steiler. Het uitzicht op de top is natuurlijk fantastisch, maar het valt toch wat tegen. Het is namelijk nogal heiig vandaag. Toch kunnen we aan de oostelijke horizon de Middellandse Zee zien liggen.


Terug bij het chalet maken we ons klaar voor de afdaling. De oostelijke weg zou van betere kwaliteit zijn dan de westelijke, waarover we geklommen hebben. Inderdaad is het wat beter, maar het is nog steeds erg slecht. Hangend in de remmen stuiteren we naar beneden. Onder deze omstandigheden kan ik niet echt genieten van het fantastische landschap waardoo we afdalen. Beneden in het dal blijkt het weer erg heet te zijn vandaag. Het is haast nog erger dan gister. Het weerstation van Avignon noteert vandaag de hoogste temperatuur van deze zomer in Frankrijk. Het kwik blijft er steken op 42,6°C. Zo heet is het bij ons niet, maar het doet echt wel leuk mee vinden we.



Dag 19: Prades - Capmany (Palomère / Le Perthus)

Na tien kilometer vals plat naar beneden slaan we rechts af en beginnen we aan de klim naar de Col de Palomère. Aan de rechterkant verheft zich het massief van de Canigou. Door de schitterende kloven van de Lentilla slingert de weg omhoog. Het is niet steil, maar de klim is wel lang. Als we na de passage van de Palomère omkijken naar de Canigou ziet het er daar erg donker uit. Het bliksemt behoorlijk. Gelukkig waren we gister daarboven en niet vandaag. Nadat we beneden in het dal een riviertje zijn overgestoken begint de weg weer langzaam te klimmen. Vanaf de Col de Xarard is het overwegend dalen naar Céret. Voordat we in Céret zijn passeren we de 11e eeuwse Chapelle de la Trinité en de Col de Fourtou. Langs de weg zijn regelmatig plantages met kurkeiken. Elke paar jaar wordt de bast van deze bomen verwijderd om tot kurk verwerkt te worden. Hierdoor ziet de stam van deze bomen er nogal naakt uit.


De laatste kilometers naar Céret gaan weer wat steiler naar beneden. Net als de voorgaande dagen is het ook nu weer erg heet. Bij de plaatselijke Champion gekomen, blijkt deze pas om drie uur weer open te gaan. We maken dan maar van de gelegenheid gebruik om even lekker te pauzeren. Na een verkwikkende bak heerlijk rum-rozijnenijs gaan we weer op pad. Door het dal van de Tech fietsen we verder naar het oosten. Via de Col de Perthus willen we nog een keer doorsteken naar Spanje, om morgen dan naar de Middellandse Zee te fietsen. Een mierenhoop is vergeleken bij Le Perthus het toonbeeld van rust. Het is weer een van de belastingvrije paradijsjes op de Frans-Spaanse grens. De lange winkelstraat staat vol met een file van auto’s. Honderden mensen proberen hier goedkoop aan drank en allerlei andere spullen te komen. Voorzichtig loodsen wij onszelf door de drukte heen. We zijn weer in Spanje. Over de N2 richting Barcelona. Even later slaan we af naar Capmany en dan zijn we al snel op de camping, die gerund blijkt te worden door Nederlanders.



Dag 20: Capmany - Argelès-sur-Mer (Banyuls / Tour de Madeloc)

Niet alleen de campingeigenaar is Nederlands, ook onze buren komen uit de Lage Landen. Bij het ontbijt krijgen een heerlijk bakje koffie aangeboden. Eenmaal op de fiets trekken we door een golvend landschap met wijngaarden en olijfbomen naar het noordwesten. In Espolla verlaten we de grote weg en maken we ons op voor de onverharde klim naar de Col de Banyuls. Dat denken we tenminste. Intussen blijken de Spanjaarden druk bezig om de weg te asfalteren. Er staan borden dat de weg is afgesloten, maar die negeren we. Het landschap is bijzonder. De heuvels waar we tussendoor fietsen zijn op wat lage struiken na kaal. Het gras in de dalen is verdord. Het geheel doet denken aan een woestijnlandschap. Op de col lijkt het alsof we zo de Middellandse Zee in kunnen duiken. Tussen de agaven en mooie bloeiende cactussen door, dalen we in de richting van de zee.

Tour de Madeloc vanuit Banyuls-sur-Mer


Maar nog steeds laten we ons niet verleiden tot een duik in het koele water. Vanuit de straten van Banyuls, met aan weerszijden oleanders en palmbomen, is de oude uitkijktoren duidelijk te zien. Hij lijkt dichtbij, maar ligt wel 600 meter hoger. De klim naar de Tour de Madeloc lijkt ons een waardige afsluiting van een coast-to-coast trip door de Pyreneeën. Eerst slingert de weg zich beheerst omhoog tussen de wijnvelden van de befaamde Côte de Banyuls door. Langzaam wordt het dan steiler. Het uitzicht op de zee en de kustdorpen verandert met het hoger komen van ‘wel aardig’ via ‘mooi’ naar ‘werkelijk schitterend’. Langzaam krijgen we een steeds groter deel van de rotskust van de Côte Vermeille in zicht. Bij de beklimming van de Tour de Madeloc zit het venijn in de staart. De laatste kilometer is verschrikkelijk steil. Bijna twee keer zo steil als de slotkilometer van de Tourmalet, die toch ook flink meetelt. Ik wil proberen om fietsend boven te komen. Het eerste stukje 18% kan ik staand op de trappers nog volhouden, maar als het daarna nog wat steiler wordt moet ik al snel van de fiets. Dan maar verder lopen. Dat klinkt eenvoudig, maar is het bepaald niet. Als het met 23% omhoog gaat voel je pas hoe zwaar een fiets met bepakking is. Met veel geploeter komen we uiteindelijk boven.


Het uitzicht mag er zijn. De toren is een onderdeel van een heel stelsel aan verdedigingsweken dat opgetrokken is in de Roussillon. Net als veel andere vestingwerken in Frankrijk is ook de Tour de Madeloc gebouwd onder leiding van Vauban, de bouwmeester van de Zonnekoning. Na de afdaling gaan we naar het strand. Als we het oceaanwater in de zee gegoten hebben, zit onze coast-to-coast erop. Met enkele spannende uitstapjes en een aantal mooie omwegen hebben we ons best gedaan om toch iets meer van de Pyreneeën te zien dan alleen maar col-bordjes. Voor ons gevoel zijn we hier behoorlijk in geslaagd en we zijn dan ook erg tevreden over doorsteek die we hebben gemaakt.



Dag 21: Argelès-sur-Mer - Coursan (Etangs)

De volgende dag vertrekken we voor onze eerste echt vlakke etappe. En dat blijkt lastiger dan gedacht. We zijn zo gewend aan het bergop rijden dat we op het vlakke maar moeilijk in een goed ritme kunnen komen. Bovendien vindt de rug het opeens niet leuk meer om uren op het stuur te liggen. Om het nog erger te maken hebben we tegenwind. We fietsen door de badplaatsen die we gisteren al vanaf de Tour de Madeloc zagen. Badplaatsen zijn niet leuk om doorheen te fietsen. Er is niets te zien en het is er erg druk. Na een dik uur zijn de uitlopers van de Pyreneeën achter ons al uit het zicht verdwenen. Linksvoor ons doemen nu de heuvels van de Corbière op. Die laten we voor de verandering maar links liggen.

Tussen twee etangs


We rijden langs de lagunes (etangs) van Zuid Frankrijk. Grote meren die slechts door een smalle dijk van de zee gescheiden zijn. Op sommige plekken wordt zout uit het zeewater gewonnen. Het water laat men in ondiepe poelen verdampen, waarna het zout achterblijft. Na Port-la-Nouvelle verlaten we de drukke wegen en kiezen we een fietspad wat tussen twee lagunes doorloopt. Het lijkt hier wel Nederland. Bij Narbonne gaan we op zoek naar een camping. Maar eerst een supermarkt. Dan blijkt dat we vanochtend al boodschappen hadden moeten doen. Het is vandaag 15 augustus, mariahemelvaart, een Rooms-Katholieke feestdag. 's Middags zijn alle winkels dicht. Uiteindelijk kunnen we nog wat groente kopen bij een klein winkeltje. Met wat rijst die we nog hadden maken we er toch nog een redelijk maal van.



Dag 22: Coursan - Brisac (Gorges de l'Herault)

Nog een dag fietsen en dan weer een dag. Ik ben daar erg aan toe. De afgelopen week heeft me blijkbaar nogal uitgeput. Ik wijt dit aan de hoge temperaturen in de nacht, waardoor ik veel te weinig geslapen heb. Nadat we ons door de drukte van de stad Béziers geworsteld hebben, verlaten we de Route Nationale. Ook komen er weer glooiingen in het landschap. Stukken vals plat omhoog wisselen af met kleine afdalinkjes. Enkele kilometers voorbij Roujan begint de weg weer serieus te klimmen. Na het gezwoeg op het vlakke is het weer een heerlijk gevoel om de zwaartekracht flink tegen te hebben. We hebben weidse uitzichten op de vele wijnvelden in het zuiden. We genieten van het klimmetje en van de afdaling die volgt.

Gorges de l'Hérault


Als de middag al een eind gevorderd is komen we bij gorges van de Hérault. De rivier heeft zich hier diep ingesneden in de kalk. Onderin de rivier is het druk met kano’s. Het is erg toeristisch hier. Je kunt hier niet alleen kanoën, maar ook een beroemde grot (vier sterren...) bezoeken. Als we de rivier stroomopwaarts volgen wordt het minder druk. Als de weg de rivier verlaat zijn we weer alleen. Meteen begint de weg weer te stijgen. Af en toe worden we voorbij geracet door een auto met aanhanger van een kanoverhuurbedrijf die kano’s terugbrengt naar het beginpunt van de kanoroute. Bovengekomen is het nog ongeveer tien kilometer naar Brisac, waar we de tent opzetten.



Dag 23: Brisac (rustdag)

Vandaag eindelijk weer eens lekker uitslapen. Broodjes camenbert, chips en wijn gaan er goed in. 's Middags basrst er plotseling een hevig noodweer los. De regen stroomt met bakken uit de hemel en dichtbij inslaande bliksemschichten veroorzaken oorverdovende donderklappen. Als de bui is overgetrokken blijkt de tent van de overburen ondergestroomd te zijn. Onze tent staat gelukkig niet op een risicovolle helling. Op een bankje aan de kant van een veld koken we ons potje. Aan de overkant van het veld zien we hoe een goochelaar een groep kinderen vermaakt.



Dag 24: Brisac - Meyrueis (Mont Aigoual)

We volgen de rivier de Hérault stroomopwaarts. Meer en meer komen we in de Cevennen terecht. Voor vandaag staat de beklimming van de Mont Aigoual op het programma. Deze berg is verreweg de hoogste in de omgeving en op de top moet het uitzicht dan ook geweldig zijn. In een klein parkje in Valleraugue, ongeveer aan de voet van de klim, stoppen we even. Een groepje mannen is jeu de boules aan het spelen. Terwijl wij wat koekjes wegwerken, maken zij ruzie over welke bal het dichtste bij de but ligt.

Mont Aigoual


Het wordt nu steiler. In de verte zien we het oude observatorium op de top van de Mont Aigoual al liggen. Na enkele kilometers komen we in de haarspelden. De echte klim is begonnen. Hoewel het hoogteverschil aanzienlijk is, is het in vergelijking met wat we al gezien hebben een eenvoudige klim. Met zo’n 5% slingert de weg zich omhoog. We krijgen een fantastisch uitzicht op het dal van de Hérault. In de diepte zien we Valleraugue liggen. Na zo'n 20 kilometer klimmen staan we op de Col de Sereyrède, waar we rechtdoor kunnen naar Meyrueis en rechtsaf naar de Mont Aigoual. Boven op de Mont Aigoual is het druk. Op de berg is een meteorologisch waarnemingsstation gevestigd. Het is een van de laatste functionerende meteorologische bergstations. Bovenop het oude observatorium is een uitkijkpunt ingericht. Naar alle kanten is het uitzicht schitterend. Aan de oostelijke horizon zien we de Mont Ventoux liggen. Ver in het zuidwesten kunnen we nog net de toppen van het Canigou-massief zien. Hemelsbreed toch een afstand van bijna 200 kilometer. Dichtbij in het noorden zien we de rand van de Causse Méjean, een van de hoogvlaktes in het gebied.

Causse Méjean vanaf de Perjuret


Voordat we gaan dalen bezoeken we het kleine museum dat in het gebouw gevestigd is. Er staan antieke meetapparaten opgesteld. Verder heel veel schitterende foto's, een mooi schaalmodel van een depressie en natuurlijk de onvermijdelijke souvenirs. De afdaling naar Meyrueis, via de Col de Perjuret, verloopt in een aantal trappen. Op deze col hebben we een prachtig uitzicht op de rand van de hoogvlakte. We slaan linksaf, het hier nog brede dal van de Jonte in. Op de camping waar een studiegenootje vakantiewerk doet, zetten we de tent op. We gebruiken de avond om eens lekker bij te kletsen.



Dag 25: Meyrueis - Le Pont-de-Montvert (Gorges de la Jonte / Gorges du Tarn)

De volgende ochtend begint goed: we krijgen een heerlijke kop koffie aangeboden! Eenmaal op de fiets rijden we door de Gorges de la Jonte richting Le Rozier. Links en recht rijzen de wanden die de hoogvlakten begrenzen hoog op. Belangrijke publiekstrekkers in het gebied zijn de vele grotten. De gorge de la Jonte staat ook wel bekend als het gierendal. Nadat ze in de jaren-40 uit het gebied verdwenen, zijn de vogels in 1981 opnieuw uitgezet. Op het tijdstip dat wij door de kloof fietsen blijken de gieren echter nog te slapen.


Bij Le Rozier mondt de Jonte uit in de Tarn. We slaan rechtsaf en volgen de Tarn stroomopwaarts. Tot Les Vignes is het dal van de rivier redelijk breed en recht. Na dit dorp, waar we een brood voor de lunch kopen, worden de wanden steiler en wordt de kloof smaller. We passeren de Pas de Soucy. Deze chaos van rotsen is in het jaar 580 ontstaan bij een aardbeving. In het prachtige Cirque des Baumes even verderop is de weg af en toe in de rotswand uitgehakt. Op de rivier zijn weer veel kanoërs actief. Als we La Malène naderen zien we dat vanuit dit dorpje een weggetje zich in vele haarspeldbochten de kloof uitslingert naar de Causse Méjean. Op de kaart ziet het er ook leuk uit. Omdat het bloed kruipt waar het niet gaan kan en omdat we de gorge ook weleens van boven willen zien, besluiten we na enig overleg naar boven te gaan.

Gorges du Tarn bij Malène


Zo hebben we onszelf plotseling en onverwachts veroordeeld tot vier kilometer klimmen tegen de 10%. Het weggetje is smal. De korte en zeer scherpe haarspelden zijn heerlijk om te befietsen. Auto’s die ons tegemoet komen hebben er meer moeite mee. La Malène verdwijnt snel in de diepte. Een prachtig uitzicht ontvouwt zich over het dorp en kloof van de Tarn. Het uitzicht op de haarspelden beneden ons mag er ook zijn. Een mooi aangelegde haarspeldweg heeft zeker kunstzinnige waarde. Enkele weken geleden is in het gebied een grote bosbrand geweest. We rijden tussen zwartgeblakerde hellingen door. De geur van de brand is nog niet helemaal verdwenen. Na de Col de Coperlac dalen we weer af in de Gorges du Tarn. In de afdaling krijgen we een prachtig uitzicht op de rivier die hier een scherpe bocht maakt. Het schilderachtige St Chély ligt aan onze voeten.


Vlak voor Florac verlaten we de Route Nationale waar we een paar kilometer terug op uit zijn gekomen. Het is nog 20 kilometer naar Le Pont-de-Montvert, het einddoel van de dag. We fietsen nog steeds langs de Tarn, die nu nog maar een smal stroompje is. Het verval van de rivier is toegenomen en dus loopt de weg erlangs ook steiler omhoog. We fietsen door een verlaten gebied. Zeker als je het met de toeristische gorges vergelijkt van eerder op de dag.



Dag 26: Le Pont-de-Montvert - Bidon (Gorges de l'Ardèche)

Na alweer een heerlijk koele nacht zitten we mooi op tijd weer op de fiets. Al vrij snel zijn we boven op de Col de la Croix de Berthel. We zijn middenin het nationale park van de Cevennen. Vanaf hier gaat het voorlopig weer naar beneden. Door het brede dal van de Luech arriveren we dan ook spoedig in Bessèges. Na af en toe nog een anoniem klimmetje komen we halverwege de middag in Vallon-Pont-d’Arc, de poort naaar de Gorges de l’Ardèche.

Pont d'Arc


Het is weer even omschakelen van de rust van de hoge Cevennen naar de toeristische drukte van de Ardèche. De eerste kilometers fietsen we vlak langs de rivier. We passeren een grot waar zich in vroeger tijden Hugenoten verborgen voor de inquisitie. Nadat de weg zich even van de rivier verwijderd heeft, krijgen we plotseling een fantastisch uitzicht op de Pont d’Arc. Dit is een natuurlijke brug over de Ardèche. Na dit natuurwonder gaat de weg opeens zeer steil omhoog. Hier hadden we niet echt op gerekend. Al snel zijn onze shirts doorweekt van het zweet. Het is alweer erg warm vandaag. Als we na een paar kilometer zwoegen en zweten boven zijn, worden we bij het Belvédère de Serre de Tourre getrakteerd op een schitterend uitzicht over de gorge. In tegenstelling tot in de gorges van de Jonte en de Tarn, fietsen we nu over rand van de kloof en niet beneden langs de rivier. Op deze manier krijgen we steeds fantastische panorama’s voorgeschoteld. We bevinden ons zo’n 200 meter boven het water van de rivier.


In de richting van Vallon-Pont-d’Arc zien we dat zich donkere buienwolken vormen. Af en toe bliksemt het in de verte. Langzaam komen de buien dichterbij. Het loopt inmiddels al tegen de avond. Als de buien ons bijna ingehaald hebben doen we de regenjackjes aan en pakt Jantine haar fietstassen in de regenhoesjes. Tot onze opluchting ziet ze opeens een bordje langs de weg waar op staat dat er over twee kilometer een camping is. Als de eerste grote druppels vallen zijn we bijna bij de camping. Snel zetten we onze fietsen in een schuur met allemaal squads en haasten we ons het receptiehok binnen, waar nog veel meer mensen staan te schuilen. Pas dan barst het noodweer in alle hevigheid los. De regen valt met bakken uit de lucht en om ons heen weerklinken knalharde donderslagen. Terwijl we even later als het nog wat nadruppelt de tent opzetten besluit de bui tot een passend slotaccoord: met een oorverdovende klap slaat vlakbij de bliksem in.



Dag 27: Bidon - Bédoin (Rhône-delta)

Nadat we de volgende ochtend het restant van de gorge de l‘Ardèche gedaan hebben krijgen we al snel het einddoel van de dag in zicht: de Mont Ventoux. Hoewel we hemelsbreed nog een dikke 60 kilometer van de berg verwijderd zijn, steekt hij met zijn 1912 meter al hoog boven zijn omgeving uit. Zijn hoogte, die toch echt niet extreem te noemen is, valt des te meer op, omdat er geen andere bergen in de buurt liggen. We krijgen onvermijdelijk het gevoel dat we er al bijna zijn. De werkelijkheid is echter anders.

Rhône bij Pont-St-Esprit


Bij Pont-St-Esprit steken we de Rhône over. Aan de overkant hebben we een prachtige terugblik op het stadje en de rivier. Na de oversteek worden we overgeleverd aan de wind, die van schuin voor komt. Bovendien loopt het vaak vals-plat omhoog. De combinatie van de wind, het vals-plat en alweer de hoge temperatuur maakt deze dag zwaarder dan die op het eerste gezicht lijkt. Tussen de wijngaarden door zwoegen we verder. Voor de derde keer worden we geconfronteerd met tweetalige plaatsnaambordjes. Dit keer gaan Baskisch of Catalaans, maar Provençaals.


Na het prachtige Vaison-la-Romaine, waar een aantal oude Romeinse ruïnes te zien zijn, gaan we op weg naar Malaucène. Hier, aan de voet van de noordelijke beklimming van de Ventoux, nemen we een royale rustpauze. Na weer eens een bak ijs beginnen we aan het laatste gedeelte naar Bédoin. Om daar te komen moeten we eerst nog de Col de la Madeleine bedwingen. Nu het omhoog gaat voelen we ons weer kiplekker op de fiets. De Madeleine van de Provence kan niet in de schaduw staan van haar grote zus in de Alpen en al snel zijn we dan ook boven. Vanaf het colletje is het dalen tot aan de camping. De uitzichten in de afdaling op de Rhône-vlakte en de Mont Ventoux zijn van grote schoonheid.



Dag 28: Bédoin - Bédoin (Mont Ventoux / Gorges de la Nesque)

De volgende morgen staan we vroeg op voor de beklimming van de Mont Ventoux. In Bédoin kopen we een brood voor de lunch, waarna we aan de klim beginnen. De eerste kilometers is het nog niet zo steil. Toch gaat het niet gemakkelijk. We moeten eerst nog even warm draaien. Tussen de wijnvelden van de Côte du Ventoux komen we langzaam hoger.

Mont Ventoux


In St Estève buigt de weg naar links. Meteen wordt het steil. Hier begint het beruchte gedeelte door het bos. Het is kilometers lang steiler dan 10% met maxima rond 12%. Na elke kilometer wachten we op elkaar en nemen we een korte pauze. We hebben alle tijd. Het bos van de Ventoux is bekend en berucht om de vliegen die er zitten. Tijdens het fietsen hebben we regelmatig een hele wolk om ons heen. Zodra je even stil staat weet je helemaal niet meer waar je het zoeken moet. Ze wegslaan heeft geen zin. Dat is wel aan te raden bij de dikke horzels, die zich tussen de onschuldige vliegen gemengd hebben. Deze beesten kunnen lelijk steken. Het is erg druk met wielrenners op de berg. Vooral veel Belgen zijn actief. Na tien kilometer klimmen komt de kale top van de Ventoux in zicht om meteen weer te verdwijnen. Maar we weten weer waarnaar we op weg zijn.

Boven op de Ventoux


Zonder veel problemen bereiken we Chalet Reynard. Hier wordt de weg even wat minder steil. Vlak boven ons zien we het kale gedeelte van de berg. Het is nog een kilometer of zes naar de top. Boven de 1500 meter is er geen begroeiing meer en slingert de weg zich langs de kale berghelling naar de top. Het is net een maanlandschap. Alleen maar puin, puin en nog eens puin. De hellingen contrasteren fantastisch met de strakblauwe lucht. Het is een feest om hier te fietsen. De harde wind waar de Ventoux bekend om staat, laat het afweten vandaag. Er is geen wolkje aan de lucht. De laatste kilometer is weer steil. De laatste bocht, 20%, sprint ik vol door de binnenbocht en dan ben ik boven. Het is erg druk op de top van de berg. Veel fietstoeristen, auto’s en door elkaar lopende mensen. In het noordoosten zien we duidelijk alpentoppen liggen. Alpe d’Huez zit er niet in deze vakantie, maar we zien dan toch de bergen daar in de buurt. De vlakte van de Rhône ligt bijna twee kilometer onder ons. Naar het zuidwesten zien we de rivier zelf in de buurt van Avignon. Enkele ogenblikken na zonsopkomst moet het een prachtig gezicht zijn om de driehoekige schaduw van de Ventoux tot over de Rhône te zien reiken.


Tot onze teleurstelling zijn de lavendelvelden bij Sault al geoogst. De schitterende blauwpaarse gloed van de bloeiende lavendel moeten we dus missen. Onder het genot van een koud colaatje raadplegen we de kaart voor de te volgen route. Via de gorge van de Nesque zullen we terugfietsen naar Bédoin. Als we het dorpje Monieux met zijn oude toren gepasseerd zijn, begint de weg weer langzaam te stijgen. Aan onze linkerhand wordt de vallei van de Nesque steeds smaller en vernauwt zich tot een heuse gorge met loodrechte wanden van 200 meter hoog. Op het hoogste punt, het Belvédère de Castellaras, is een imposant uitkijkpunt gebouwd. Vanaf hier is het bijna 20 kilometer afdalen naar Villes-sur-Auzon over de smalle weg die tegen de rotswand aangeplakt is. Zonder veel energie te verbruiken laten we ons door vele bochten en enkele tunneltjes naar beneden rollen.



Dag 29: Bédoin - Nîmes (Pont du Gard)

Vandaag de laatste etappe. Vier weken fietsen zit er bijna op. Tot de Rhône gaat het veelal vals plat naar beneden. De eerste twee uur schieten we dan ook flink op. We laten het drukke Carpentras rechts liggen en via Mazan, Pernes-les-Fontaines en St Saturin -waar we zowaar even moeten klimmen-, arriveren we tegen twaalven in Avignon. Na enige problemen om de juiste weg te vinden fietsen we langs de Rhône. Even later passeren we de beroemde Pont d'Avignon. Een paar honderd meter verder steken we de Rhône over en verlaten we de oude pausenstad.

Pont du Gard


Verder fietsend proberen we zo goed als het kan de drukke wegen te vermijden. We fietsen liever een paar kilometer om over een wat rustiger weg dan constant over de Route Nationale te moeten fietsen waar het verkeer met tegen de 100 per uur vlak langs je heen raast. Inmiddels zijn we het departement Gard binnen gefietst. Het duurt niet lang of we staan bij het beroemde aquaduct dat de gelijknamige rivier overspant: de Pont du Gard. Het 50 kilometer lange antieke bouwwerk werd in het jaar 50 door de Romeinen voltooid. Per dag leverde het 35,000 kubieke meter water aan de baden en fonteinen van Nîmes. Op de onderste verdieping van de brug nemen we een ruime pauze. In totaal bestaat de brug uit drie verdiepingen. Elke verdieping bestaat weer uit een aantal bogen. Helaas voert de rivier op dit moment niet zo veel water. De fantastisch mooie brug staat zo een beetje zielig op het droge.


Vrij snel na het verlaten van de drukte van de Pont du Gard fietsen we weer op een heerlijk rustig weggetje. Af en toe passeert een auto, verder zijn we alleen. Nadat we in Colliac wat druiven en een appel gegeten hebben gaan we voor het laatst deze vakantie klimmen. Vlak voor Nîmes is het gedaan met de rust. We komen weer op een drukke Route Nationale. Op de gok fietsen we de stad binnen, want we weten niet goed waar we moeten zijn. Na enig gezoek vinden we even ten zuiden van de stad de camping waar de een bus van Cycletours ons vanavond komt ophalen. Na het eten maken we de fietsen klaar voor het vervoer naar huis. Op het terras van de camping wachten we met andere passagiers op de bus. Tijd voor een biertje...